terug
index.htm
volgende oefening
invullen extra1
invullen
Bijvoeglijk Naamwoord
Het begint te sneeuwen. Er vallen
(dik),
(wit) vlokken uit een
(donkergrijs) lucht.
Binnen
(kort) tijd ligt er een
(dik) pak sneeuw. De kinderen halen hun
(nieuw) slee te voorschijn. Ze maken ook een
(groot) sneeuwpop met een
(oranje) wortel als neus en twee
(zwart) stenen als ogen.
zijn, hebben, willen, kunnen, zullen, mogen
1. Ali
niet met zijn vader mee; zijn vader vindt hjet niet goed
2.
jij een brommer?
3. Nee, ik
nog niet brommen; ik
nog geen 16 jaar.
4.
je bang voor de tandarts?
5.
ik met je meegaan?
6. Honden
hier niet los lopen.
7.
je koffie of thee?
8.
je morgen tijd? Nee, ik
morgen niet!
9.
jij autorijden? Nee, ik
geen rijbewijs.
10.
ik je helpen?
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening