extra 18

Vul in:


Kies het juiste voorzetsel:
Soms is ook een ander voorzetsel goed

1. op/in het dak van het huis staat een antenne.
2. Ik wacht tot/na 12 uur; dan ga ik weg!
3. De jongen gooit het boek uit/voor het raam.
4. De supermarkt is van acht voor/tot acht open.
5. De jongen klimt in/op het dak.
6. De vrouw zit in/op de auto.
7. Maria loopt naar/voor/op school toe.
8. Yuri zit in/op/naar een stoel.
9. De lamp staat in/op/onder de tafel.
10. De klok hangt in/op/aan de muur.