terug
index.htm
volgende oefening
extra 19
Vul in:
Kijk naar het werkwoord achter in de zin dat tussen haakjes staat.
Vul het werkwoord goed in dat tussen haakjes staat. Zet ook goede hulpwerwoord in de tegenwoordige tijd in de zin.
Ik gooi een bal..............................Ik heb een bal gegooid. (gooien)
1. Ik
een tekening...............Ik
een tekening
. (maken)
2. Hij
hard..........................Hij
hard
. (werken)
3. Hij
het zelf.......................Hij
het zelf
! (zeggen)
4. Wie
dat?.......................Wie
dat
? (vragen)
5. Wie
daar?......................Wie
daar
? (wonen)
6. Karel
een apspraak........Karel
een afspraak
. (maken)
7. Ik
de tafel.........................Ik heb de tafel
.(dekken)
8. Mustafa
in een hotel........Mustafa
in een hotel
.(werken)
9. Ik
niets.............................Ik
niets
. (horen)
10. Wie
dat?..........................Wie
dat
? (zeggen)
1. Mijn vriend
mijn mes............Mijn vriend
mijn mes
. (hebben)
2. Mijn oma
lang.......................Mij oma
lang
. (leven)
3. Ik
naar mooie muziek..........Ik
naar mooie muziek
. (luisteren)
4. Wij
een moeilijke les..........Wij
een moeilijke les
. (maken)
5. Ik
een bloes............................Ik
een bloes
. (naaien)
6. Mijn oom
in Amerika.............Mijn oom
in Amerika
. (wonen)
7. Ik
het verhaal vvan mijn oom.....Ik
het verhaal van mijn oom
. (horen)
8. Mijn vader
een auto................Mijn vader
een auto
. (huren)
9. Mijn moeder
veel geld...........Mijn moeder
geld
.(sparen)
10. De kinderen
buiten..............De kinderen
buiten
. (spelen)
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening