terug
index.htm
volgende oefening
extra 20
Vul in:
Vul in....mezelf, jezelf, uzelf, zich(zelf), zichzelf
1. Hoe kan ik
toch zo in de vingers snijden.
2. Heeft hij
gesneden?
3. Mijn broertje kan zich
wel wassen!
4. Heeft u
niet overgeslagen?
5. Iedereen heeft een gebakje, maar je hebt
vergeten!
6. De kinderen vervelen niet alleen
, maar ook ons!
7. Heb je
al voorgesteld?
8. Veel mensen houden het meest van
.
Vul in zelf, zich of elkaar.
1. Dat schilderij heb ik
gemaakt.
2. Zal ik jullie even aan
voorstellen of kennen jullie
?
3. Zij schrijven
lange brieven.
4. Masomi en Kadir schrijven
in voor de cursus.
5. Hij is heel knap, hij schrijft
programma's voor de computer.
6. Edward gaat emigreren. Geloof je het niet? Hij heeft het
verteld.
7. De wegen kruisen
hier.
8. Heb je dat
gemaakt?
9. Zet de borden even op
!
10. De docent heeft
vast vergist.
Vul het goede voorzetsel in. Kies uit: voor, door, bij, op, in, achter, van, uit.
1. Hans en Peter lijken zo
elkaar; ik kan ze niet
elkaar houden.
2. Kun je me even helpen om die kast
elkaar te zetten?
3. Je mag hier niet passeren; je moet
elkaar rijden!
4. De lerares zegt tegen de kinderen: "Jullie moeten
elkaar blijven!"
5. Mervat en Jan houden
elkaar.
6. Nu we als familie
elkaar zijn, kunnen we deze zaak wel bespreken.
7. Ik haal al die grammaticaregels
elkaar!
8. Ziezo, dat karwei zit erop; het is
elkaar!
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening