extra25

Vul in:



Kies uit: zodat, hoewel, mits, tenzij

1. Ik heb het steeds koud, het buiten meer dan 20 graden is.
2. U moet de kip goed verhitten, de bacteriën geen kans krijgen.
3. Ik ga morgen niet naar school, er wel les is.
4. Ik ga morgen niet zwemmen, jij ook meegaat.
5. Ik ga morgen zwemmen, het zwembad open is.
6. Wat moet je doen de boter niet smelt bij deze hitte?
7. het nu erg warm is, is het openluchtbad in de maand mei niet open.
8. de temperatuur hoger is dan 25 graden, is het zwembad in juni al open.




Kies tussen: of en dat.

1. Ik denk niet ze komen.
2. Ik hoop ook jij komt.
3. Ik vraag me af ze de weg weten.
4. Hoop jij ook het gaat vriezen?
5. Probeer eens jij dit kunt lezen?
6. Mijn collega zei ze het niet kunnen doen.
7. Weet u al ze het examen kunnen uitstellen?
8. Ik ben benieuwd hij zal slagen.



Kies tussen: toen, dan, daarna.

1. Laten we een afspraak maken, a.s. vrijdag kun je ?
2. Nee, ga ik naar mijn ouders.
3. Als je eerst naar je ouders gaat, kan je toch bij mij komen?
4. Nee, ik ga eerst naar mijn ouders en ga ik naar mijn broer.
5. Was je daar verleden week ook je niet thuis was?
6. Nee, was ik met mijn vriendin naar de biosvoop.