terug
index.htm
volgende oefening
bladz63enz extra 26
Vul in:
Schrijf de goede vorm. Het woord kan ook hetzelfde blijven. Meervoud of het blijft enkelvoud?
1. Twee (keer)
per jaar zie ik mijn Familie uit Zuid Afrika.
2 Volgende week komen twee (tante)
en drie (neef)
naar Nederland.
3 Ze blijven twintig (dag)
.
4 Ik wil ze veel (ding)
laten zien.
5 We gaan naar Amsterdam. Amsterdam is niet zo groot als de (stad)
in Zuid-Afrika.
6 Maar er zijn wel veel (auto)
, (bus)
en (fietser)
.
7 We steken over bij het (zebrapad)
en het (stoplicht)
.
8 De (huis)
in Amsterdam zijn smal en hoog.
9 In de (restaurants)
en op de (terrasje)
zitten veel mensen.
10 Later gaan we een paar kleine (dorp)
bekijken.
11 Hier zijn de (weg)
rustig.
12 We zien (tuin)
, (bos)
, (schaap)
, (koe)
en vooral veel (water)
.
13 Als ze weer naar huis gaan, geef ik ze (cadeau)
voor de rest van de familie.
14 Over twee (jaar)
komen ze weer naar Nederland.
Welk woor past in de zin.
1. Dit is Thomas en dat is (zijn/haar)
vrouw.
2. Ik werk in een fabriek. Dit zijn (haar/mijn)
collega's.
3. Wanneer gaan jullie trouwen? Wie komt er op (hun/jullie)
bruiloft?
4. Alex, waar wonen (zijn/jouw)
ouders?
5. Wij hebben veel groen in (onze/haar)
buurt.
6. Hua en Jing houden heel veel van (zijn/hun)
kinderen.
7. Lisa speelt met bijna alle kinderen in (hun/haar)
klas.
8. Mevrouw, mag ik (jouw/uw)
naam opschrijven?
Schrijf de goede vorm.
1. (beloven) Ik
je elke dag te bellen.
2. (laag) De salarissen in mijn land zijn
.
3. (reizen) Ik
elke maand naar België.
4. (maken) Eva
een heerlijke soep.
5. (hoeven) Je
de afwas niet te doen.
6. (Knippen)
jij zelf het haar van je kinderen?
7. (serieuze) Ik lach niet. Ik ben heel
.
8. (maanden) Volgend
begin ik met werken.
9. (reserveren) Thomas
een filmkaartje.
10. (zetten) Maaike
de glazen op tafel.
Vul in...........dit is..........dat is............dit zijn....................dat zijn
1. Ik wil jullie voorstellen aan mijn vriend.
Samir.
2. Ken je dat meisje daar?
een vriendin van mijn dochter.
3. Ik wil graag dit bed kopen.
het beste bed in de winkel.
4.
de kaartjes voor het concert, en die andere kaartjes zijn voor de trein.
5. Ik kom uit Beek.
een dorp dichtbij Nijmegen.
6. Kent u Karlijn en Laila?
de dames die bij de balie werken.
7.
een fijne winkel. Ik koop hier al mijn kleren.
8. Kijk, ziet u daar dat huis met die blauwe deur?
mijn huis.
9. Alsjeblieft,
een cadeau voor jou.
10. Boven zijn nog twee kamers.
slaapkamers.
nakijken
OK
terug
index.htm
volgende oefening