tegenwoordigetijdA1

Kies het goede antwoord



1. De hond (ren/rent) weg.
2. De man (woon/woont) in Den Haag.
3. De vrouw (spreek/spreekt) rustig.
4. Het kind (val/valt) van de stoel.
5. Mijn moeder (kookt/ koken) rijst.
6. De docent (maak/maakt) een toets.
7. De kat (loop/loopt) naar binnen.
8. De jongens (speel/spelen) buiten.
9. De auto (rij/rijdt)) snel.
10. De studenten (leer/leren) samen.
11. De buurman (werk/werkt) in de tuin.
12. De baby (slaap/slaapt) nu.
13. Mijn vriendin (pak/pakt) haar tas.
14. De kinderen (teken/tekenen) een zon.
15. De vrouw (lees/leest) de krant.
16. De man (drink/drinkt) water.
17. Het meisje (kijk/kijkt) naar de film.
18. De mensen (woon/wonen) in de flat.
19. De docent (spreek/spreekt) langzaam.
20. De kinderen (val/vallen) in de sneeuw.