voltooiddeelwoorden 1 tm. 6

Vul het goede voltooid deelwoord in.
Vul het juiste hulpwerkwoord en voltooid deelwoord in.
Vul alleen de t of d in.


Oefening 1.

1. Ik heb gisteren 2 uur (fietsen) .
2. Heb jij al Nederlands (leren) .
3. Wij hebben samen in Utrecht (wonen) .
4. De kinderen hebben in het park (spelen) .
5. Ik heb soep (koken) voor het avondeten.
6. Hij heeft een nieuwe kast (maken) .
7. Jullie hebben naar muziek (luisteren) .
8. Heb jij de film al (kijken) .
9. We hebben koffie (drinken) in het café.
10. Zij heeft elke dag naar school (fietsen) .

Oefening 2.

1. Ik heb de deur (openen) .
2. We hebben de trein (nemen) .
3. Hij heeft zijn vriendin (bellen) .
4. Zij heeft een boek (lezen) gelezen.
5. We hebben in de supermarkt (betalen) .
6. Jij hebt de televisie (uitzetten) .
7. Ik heb de was (doen) .
8. We hebben in de vakantie veel (wandelen) .
9. Heb jij de fiets (repareren) .
10. Hij heeft zijn sleutel (vinden) .

Oefening 3.

1. Ik ben gisteren naar bed (gaan) .
2. We zijn naar Amsterdam (zijn) .
3. Hij heeft op de stoel (slapen) .
4. De kinderen hebben in de tuin (spelen) .
5. Ik ben op vakantie (zijn) .
6. Zij is vroeg op school (beginnen) .
7. Wij zijn met de auto naar het strand (rijden) .
8. Hij heeft in de supermarkt (winkelen) .
9. Jullie zijn te laat in de les (aankomen) .
10. Ik ben gisteren ziek thuis (blijjven) .

Oefening 4.

1. Ik (zijn) gisteren naar de markt (gaan) .
2. Jij (hebben) een mooie foto (maken) .
3. Wij (zijn) laat thuis (komen) .
4. Hij (hebben) een nieuwe fiets (kopen) .
5. Jullie (zijn) in de vakantie naar Spanje (rijden) .
6. Zij (hebben) de sleutel niet (vinden) .
7. Ik (zijn) vorige week ziek (zijn) .
8. Hij (hebben) zijn huiswerk al (doen) .
9. Wij (hebben) hebben in het bos (wandelen) .
10. Jij (hebben) de film al (zien) .

Oefening 5.

1. Ik (zijn) naar de winkel (gaan) .
2. Jij (hebben) een mooie brief (schrijven) .
3. Wij (zijn) gisteren laat thuis (komen) .
4. Hij (hebben) de afwas al (doen) .
5. Jullie (zijn) vorig jaar naar Italië (zijn) .
6. Zij (hebben) de sleutel niet (vinden) .
7. Ik (zijn) ziek (zijn) .
8. Hij (zijn) zijn jas thuis (vergeten) .
9. Wij (hebben) in het bos (wandelen) .
10. Jij (hebben) een nieuwe fiets (kopen) .

Oefening 6. ALLEEN EEN t of d INVULLEN

1. Ik heb gisterend mijn kamer opgeruim
2. Hij heeft de hond opgetil
3. Wij hebben hard geduwd
4. Zij heeft haar telefoon gemaak
5. Jullie hebben de auto gepoets
6. De leraar heeft het antwoord vertel
7. Ik heb het boek van de bibliotheek gehaal
8. We hebben een mooi lied ingestudeer
9. Jij hebt de deur gesloop
10. Hij heeft zijn moeder gebel