hulpwerkwoorden zijn of hebben lesje 4

Vul het voltooid deelwoord goed in. In sommige zinnen staan er 2. Niet alle voltooid deelwoorden beginnen met ge.....


Ik heb, jij hebt, hij heeft, wij/jullie hebben--------------------Ik ben, jij bent, hij is, wij/jullie zijn

Voorbeeld: (hebben of zijn) Ik ben gisteren niet op school geweest.

1. (hebben of zijn) Ik zaterdag de hele dag gewerkt.
2. (hebben of zijn) je de opdrachten gemaakt?
3. (hebben of zijn) Ernst een brief geschreven.
4. (hebben of zijn) Oh ik helemaal mijn afspraak vergeten.
5. (hebben of zijn) Wilfred naar Zaandam gereden.
6. (hebben of zijn) Lenny boodschappen bij de supermarkt gedaan.
7. (hebben of zijn) Ik gisteren pizza gegeten.
8. (hebben of zijn) het gelukt om Olga te spreken?
9. (hebben of zijn) De cursus gisteren begonnen.
10. (hebben of zijn) Martha vandaag naar school gegaan.
11. (hebben of zijn) Ada heeft de hele zomer gewerkt.
12. (hebben of zijn) Wij in de vakantie veel gefietst.
13. (hebben of zijn) Ik haar telefoonnummer gevraagd.
14. (hebben of zijn) Zij in de file gestaan.
15. (hebben of zijn) Ik gisteren naar de dokter geweest.
16. (hebben of zijn) De cursisten koffie gedronken.